Algemeen

Interview: ‘We leggen nu het fundament om de bouw en infra een stuk toekomstbestendiger te maken’

Waarom is er juist nu een cultuurverandering nodig in de bouw- en infrasector? Hoe creëren opdrachtgevers, marktpartijen en beleidsmakers het momentum om grote transities te versnellen, en het verdienvermogen van bouw en infra te vergroten? En wat is de rol van het TBL-programma bij deze opgave? In gesprek met Liselore Havermans (consortium Ecosysteem), Marc Souverein (consortium Gebouwen), en Remco Kok (consortium Infra).

Waarom is er juist nú veel momentum voor een cultuurverandering in de bouwsector?

Liselore: “Zowel vanuit de bouw als de infra heb je die enorme opgave, die ook niet kleiner wordt: instandhouding, verduurzaming, transformatie, nieuwbouw. Tegelijkertijd neemt onze kwetsbaarheid toe, onder andere door onze afhankelijkheid van grondstoffen van buiten Europa en klimaatverandering. richtlijnen en producteisen aan van wegbeheerders zoals Rijkswaterstaat. Ondanks uitgebreide tests vinden zij het heel spannend om innovaties toe te passen die nog niet in hun voorschriften zijn opgenomen. Niemand doet iets verkeerd, maar het ‘deurtje’ gaat niet open. Dat remt de invoering van duurzamer asfalt, terwijl alle asfaltproducenten hebben afgesproken vanaf 2026 alleen nog lage-temperatuur-asfalt te leveren.

Om te versnellen in verduurzaming moeten richtlijnen sneller meebewegen met nieuwe producten. Daar ligt ook een taak voor marktpartijen, door overheden eerder bij innovaties te betrekken.Binnen het programma zoeken we daarom naar nieuwe manieren om dit te faciliteren. In Amsterdam doen we dit nu kleinschalig met biobased asfalt. Het gaat er vooral om een veilige setting te creëren waarin partijen al vóór aanbesteding met elkaar om tafel gaan over duurzame alternatieven.”

Marc: “Bij woningbouw moeten we rekening houden met een veranderende bevolkingssamenstelling en instroom van buitenaf. Op die toekomstige demografische eisen moeten we flexibel kunnen inspelen, en industrialisering kan daarbij helpen. Parametrisch ontwerpen zien we al veel, maar niet alle parameters zijn praktisch mee te rekenen. Daarnaast zijn partners niet altijd klaar voor de regelgeving en druk die bij flexibiliteit horen. Flexibel bouwen vraagt iets van je bouwsysteem, van de regels én van de toepasbaarheid voor verschillende groepen gebruikers. Dat betekent dat we alternatieve productiemethodes moeten verkennen. Industrieel bouwen maakt het bovendien mogelijk om anders geschoold personeel in te zetten. De vraag is: hoe benutten we die nieuwe medewerkers optimaal om het juiste aanbod te realiseren?”

Wat vraagt dat van opdrachtgevers, markt, kennisinstellingen, maar ook van beleidsmakers?

Liselore: “Samenwerking. Niemand kan dit alleen. Het is soms zoeken om elkaar goed te verstaan en samen slimme oplossingen te bedenken vanuit al die verschillende disciplines. Maar dat is precies de kracht van dit programma: dat we vijf jaar lang samen tijd en focus hebben. We werken inmiddels met 130 partners en 275 partijen die bijdragen, plus een grote groep daaromheen die meedoet aan trainingen en activiteiten. Dat maakt het complex, maar ook dé manier om het momentum te creëren dat nodig is
om vooruit te komen.”

Marc: “Ja, mee eens. Het programma daagt partijen uit om over sectorgrenzen heen te kijken. Veel organisaties, net als wij bijTNO, werken zowel in de bouw als de infra. Denk ook aan NEN of een partij als NHL Stenden, dat zich sterk maakt voor (bio)com-
posiet. Dat is een goed voorbeeld van de sectoroverstijgende aanpak in dit programma. Met al deze partners – en het worden er nog steeds meer – willen we vooruit. Aan de kant van overheid en opdrachtgevers mag de rem er wel wat meer af. Er worden om allerlei redenen te weinig woningen gebouwd. Er wordt al lang gesproken over een CO2-budget, maar niemand weet hoe het precies moet. De systemen eromheen ontbreken nog, terwijl dat juist een enorme versnelling kan geven en investeringen kan triggeren. Ook stikstofbeleid remt nu onnodig af. Voor elke vergunning moet apart een berekening worden gemaakt voor de gebruiks- en uitvoeringsfase. Is dat echt nodig? Kun je dat niet op grotere schaal beoordelen, zodat er meer ruimte ontstaat om projecten door te laten gaan? Dit soort regels raakt de bouw- en infrasector. Een belangrijke uitdaging voor de tweede programmaperiode is daarom om beleidsmakers en de Rijksoverheid nog sterker te betrekken: als klankbord én als vraagbaak.”

Liselore: “De kracht van het programma vind ik juist ook dat ministeries, provincies en gemeenten als partners meedoen. Zowel overheid, markt als kennisinstellingen lopen tegen belemmeringen aan die ze deels zelf kunnen oplossen, maar niet in hun eentje. Hier creëren we die gezamenlijke ‘we’ waarmee je wél verder komt. We vertegenwoordigen natuurlijk niet heel Nederland of Europa, maar we hebben wel een omgeving gebouwd waar je het goede gesprek kunt voeren en samen een beweging kunt creëren.

Remco: “Projectteams moeten leren projectoverstijgend te denken. Nu ligt de focus vooral op het eigen project – tijd, geld, kwaliteit – maar voor innovatie is een bredere blik nodig. We moeten samen een soort blauwdruk ontwikkelen: welke stappen zet je als gemeente of overheid, ingenieursdienst en aannemer om innovatie mogelijk te maken? Welke afspraken maak je aan de voorkant, en hoe ziet die samenwerking eruit?
Binnen het programma is een lesmodule ontwikkeld om partijen te leren hoe je gezamenlijk innovaties beter kunt laten landen. Samen met de collega’s bij Van Gelder en onze opdrachtgevers bij de gemeente Amsterdam, doorlopen we een aantal proefsessies waarin we leren hoe we gezamenlijk veilig kunnen innoveren. Wat
betekent het voor jou in dat proces als we met dit idee aankomen, of wat heb je dan nodig van mij? Je creëert een micro-klimaat waarin je samen bepaalt: zo zou het eruit moeten zien, deze afspraken zijn er nodig. Dat kan de blauwdruk worden voor de samenwerking met andere overheden.

Hoe organiseren we goed opdrachtgeverschap? Wat is daarvoor nodig?

Liselore: “Ik zie drie belangrijke elementen. Ten eerste: elkaars belangen begrijpen. Als je niet weet in welke dynamiek de ander werkt, kun je geen goede opdrachtgever zijn. Ten tweede: durven investeren in innovatie. In het begin is het vaak zoeken, en daardoor zijn nieuwe oplossingen soms duurder, simpelweg omdat je tijd nodig hebt om samen te experimenteren. Ten derde: vertrouwen opbouwen in oplossingen met duurzaam verdienvermogen. Je moet gezamenlijk momentum creëren rond veelbelovende innovaties, zoals biobased bouwen. Aan de infrakant zie je iets
vergelijkbaars in Amsterdam, wat mij betreft een koploper. Daar wordt in 10% van de onderhoudsprojecten ruimte gemaakt voor innovatie. Zo ontstaat structureel ruimte om binnen projecten nieuwe oplossingen toe te passen. Innovatie hangt daardoor niet
meer af van één voortrekker, maar wordt onderdeel van het systeem.”

Marc: “Op dit moment is er weinig ruimte om echt ‘het goede’ te doen. De vraag is dus: hoe richten we de keten zo in dat duurzame keuzes óók economisch de beste keuzes worden? Binnen het programma zien we mooie voorbeelden. In Friesland gebeurt dat via Friesland Bouwt Circulair: de provincie zet sterk in op circulair en biobased bouwen, en via initiatieven zoals de Vezelhennep Deal en de opdrachtgeversaanpak leren opdrachtgevers samen wat goed opdrachtgeverschap betekent.”

Remco: “Eens met Liselore dat vertrouwen essentieel is. Overheden zijn vaak op hun hoede dat aannemers al in het eerste gesprek claims leggen, waardoor innovaties geen eerlijke kans krijgen. Gemeenten en andere opdrachtgevers zouden daarom hun inkoopbeleid moeten herzien. Aan de andere kant kunnen marktpartijen ook nog het nodige leren. Bij Van Gelder hebben we jarenlang achter gesloten deuren gewerkt aan lage-temperatuur-asfalt, zonder de wegbeheerders hierin mee te nemen. Dat helpt niet in het acceptatieproces. Om beter van elkaar te leren hoe we innovaties uiteindelijk in
de praktijk krijgen toegepast, is er binnen het programma een lesmodule ontwikkeld. Met collega’s van Van Gelder en de gemeente Amsterdam doen we proefsessies: wat heb jij nodig als wij met een nieuw idee komen, en andersom? Je creëert een
veilig microklimaat voor open innovatie. Daarnaast is het belangrijk dat je duidelijke afspraken maakt over begrippen en spelregels. Wat verstaan we onder een living lab,
wat is een proeftuin? Dat heeft inmiddels het praktische Handboek Living Lab Leeromgeving opgeleverd dat ook andere gemeentes
richting geeft.”

Hoe belangrijk is het om naast de successen ook de fouten
met elkaar te kunnen delen?

Liselore: “Als je met elkaar gewend bent om te innoveren, dan kun je ook nadenken hoe je met elkaar risico’s draagbaar maakt. Zodat niet een partij of persoon erop wordt afgerekend.”

Remco: “Doordat steeds meer gemeenten werken met een samenwerkingsovereenkomst, verdwijnt de oude afrekencultuur en ontstaat er een opener partnership op basis van gelijkwaardigheid. In Haarlem zijn we nu twee jaar verder en hebben we samen met de ingenieursdienst, de markt en de gemeente het
hele proces opnieuw uitgetekend. Per projectfase is bepaald wat er moet veranderen om duurzamer samen te werken. Dat heeft geleid tot concrete handvatten en checklists: waar moet je in elke fase aan denken, en wie moet je wanneer aan tafel uitnodigen?
Zo worden bij een nieuwe rotonde de duurzaamheidsambities van de gemeente meteen vertaald in concrete KPI’s. Met Haarlem voelt het alsof je echt met collega’s om tafel zit,
waardoor je ook sneller kunt delen wat er níet goed ging.”

Marc: “Partners investeren zelf grote bedragen in dit programma en krijgen via de subsidies net die extra financiële steun om een innovatie door te zetten. Zonder dit programma hadden veel partijen die stappen niet durven zetten. Daarom is het zo
belangrijk dat dit soort innovatieprogramma’s blijven bestaan. Dat zie je heel duidelijk terug in de fieldlabs. Er worden er veel opgezet, en daarin wordt meteen zichtbaar wat werkt en wat niet. Je ziet in de praktijk waar mislukkingen zitten en waar successen
ontstaan, en op basis daarvan kun je slimme keuzes maken voor verdere opschaling. Dat maakt het programma zo waardevol: je ziet fysiek wat er gebeurt, waar het misgaat en waar het juist goed gaat, en van daaruit bouw je stap voor stap richting de stip
op de horizon.”

Liselore: “Zoals Marc ook zegt: je bouwt aan gezamenlijke durf. Door dit samen te doen, werk je niet alleen toe naar een paar succesvolle innovaties die uiteindelijk grootschalig opgeschaald kunnen worden. Je versterkt óók het hele innovatie-ecosysteem. Partijen raken eraan gewend om met elkaar samen te werken,
samen te innoveren, samen fouten te maken en samen successen te vieren. Op die manier bouw je niet alleen aan de concrete resultaten van het programma, maar ook de infrastructuur die blijft staan om dit soort innovatieprocessen in de toekomst
te blijven doen.”

Welke projecten illustreren wat jullie betreft goed hoe je het momentum in de markt optimaal benut?

Marc: “Het werkpakket ‘Biobased Studentenhuisvesting Groningen’ is een mooi, tastbaar voorbeeld. We bouwden eerst twee demowoningen om verschillende isolatiematerialen en gevelopbouwen te testen. In fase 2 wordt die kennis opgeschaald naar gestapelde bouw, inclusief onderzoek naar duurzame funderingen met lage CO2-impact – een onderwerp dat nog weinig aandacht krijgt. Het laat goed zien hoe partijen samen werken aan een strategie om biobased oplossingen en nieuwe funderingstypen
verder te brengen. Aan de digitaliseringskant werken we in een aantal werkpakketten
nauw samen met de gevelbranche, digitaliseringspartners en NEN. We vertalen Europese regels naar concrete toepassingen voor het Digitale Product Paspoort en het Gebouwen Paspoort. Een praktisch voorbeeld is het Kringloop Integratie Platform: een plek waar alle wettelijk verplichte productdata samenkomen. Dat is hard nodig, want voor één kozijn kunnen tientallen toeleveranciers gegevens moeten aanleveren. Zonder goede datastromen valt de hele keten stil, dus hier helpen we bedrijven actief bij.”

Liselore: “Deze voorbeelden laten heel mooi zien hoe het momentum vanuit verschillende delen van het programma samenkomt. En dat we daarbij ook heel praktische interventies doen. Zoals het bouwen van een testomgeving om te onderzoeken wat er nodig is om data te laten stromen tussen het Kringloop Integratie Platform en het Digitale Gebouwen Paspoort. Hoe ziet dat eruit? Waar loop je tegenaan? Zo deel je inzichten direct met elkaar en hoeft niemand het wiel steeds opnieuw uit te vinden. Bij de modulaire biobased woningen die Marc noemde, draait
het niet alleen om techniek maar ook om mensen. Daarom is er binnen het consortium Ecosysteem een groot Human Capital-project opgezet. In elke regio worden professionals voorbereid op nieuwe manieren van bouwen, en studenten leren meteen
mee. In Groningen zie je dat mooi terug: daar zijn demowoningen samen met studenten gebouwd. Zo is straks niet alleen de markt klaar, maar ook de nieuwe generatie bouwers.

Nóg een sterk voorbeeld vind ik het Acceleratieprogramma Toekomstbestendig Bouwen. Startups en scale-ups met oplossingen voor de toekomstige leefomgeving krijgen ondersteuning bij opschaling. Juist die frisse energie en nieuwe denkrichtingen versnellen de transitie.”

Remco: “Binnen Infra vind ik het project Multifunctionele Kademuren in Amsterdam een inspirerend voorbeeld. Kades moeten richting toekomst aan heel veel uiteenlopende eisen voldoen op het gebied van duurzaamheid, ecologie en erfgoed. In een gezamenlijke denktank onderzoeken ingenieursdiensten, marktpartijen en wetenschappers hoe kades er over 40 jaar uit moeten zien. Die samenwerking aan de voorkant, waar wetenschappelijke kennis, praktische ervaring en vernieuwende ideeën samenkomen, levert duurzame meerwaarde op. En het is gewoon mooi om te
zien hoe specialisten samen iets beters willen maken.”

Fast forward naar 2035. Hebben we dan met elkaar de sprong gemaakt?

Marc: “We moeten de komende tien jaar nog heel veel sprongen maken met elkaar, want er liggen nog genoeg uitdagingen op ons pad. Bovendien is de wereld op dit moment behoorlijk grillig; ontwikkelingen gaan snel en zijn lastig te voorspellen. Toch
verwacht ik dat we over 2,5 jaar al veel bereikt hebben binnen dit programma, en over tien jaar nog veel meer. Wel mag wat mij betreft in fase 2 nog meer focus komen op opdrachtgeverschap, duidelijkere rollen en verantwoordelijkheden voor beleidsmakers, en een nog sterkere betrokkenheid van het consortium Ecosysteem bij Infra en Gebouwen. Dan kunnen we daadwerkelijk het fundament leggen om de bouw
en infra een stuk volwassener en toekomstbestendiger te maken.”

Liselore: “Ik denk dat we over tien jaar zullen constateren dat we met dit programma het innovatie-ecosysteem hebben versterkt. Dat we met elkaar hebben geleerd om effectiever samen te innoveren, en dat er daardoor continu nieuwe ontwikkelingen blijven ontstaan. We zijn nog niet eens halverwege het programma, en nu al zien
we 90 schaalbare innovaties ontstaan, waarvan er 70 direct kunnen worden toegepast. Over 2,5 jaar zullen dat er nog meer zijn. Over tien jaar zal een groot aantal van die innovaties zo vanzelfsprekend lijken dat we terugkijken en denken: ‘bestond
dat toen nog niet?’.”

Remco: “Ik ben ook positief over de toekomst. Ik merk aan veel mensen om me heen dat de behoefte aan verandering groot is. Een echte systeemverandering zal waarschijnlijk langer dan tien jaar duren, maar ik geloof wel dat we in die periode al een flinke sprong kunnen maken. Het TBL-programma laat zien: het kán. En vooral: het kán sámen.”

Dit interview komt uit het TBL-boek De sprong is aan ons – hoe 130 partijen samen innoveren voor een toekomstbestendige leefomgeving. Tekst: Han Thoma.

> Ga naar het boek (PDF)

Meer nieuws

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

Ieder begin van de maand het laatste nieuws in je mailbox.