Binnen het project Cultuur en Keten van Ecosystemen doet de Universiteit Twente onderzoek naar interventiemethoden voor professionals in de bouw, gericht op cultuurverandering. Hoe doe je dat? Wat is daarbij belangrijk? En hoe neem je de professionals daarin mee? Marc van den Berg, onderzoeker en universitair docent aan de Universiteit Twente, legt uit waar hij aan werkt. “Cultuur en transitie lijken iets groots en abstracts, maar je bent niet machteloos, als individu kun je echt iets betekenen.”
Cultuurverandering voor bouwprofessionals
De bouwwereld staat voor een grote verduurzamingsopgave. Daarbij gaat het niet alleen om technische innovaties maar ook om een andere cultuur en ander gedrag. Van den Berg werkt aan circulaire ketensamenwerking in de bouw en heeft specifiek interesse in het verbinden van partijen die elkaar normaliter niet tegenkomen, zoals slopers en ontwerpers. In het project Cultuur en Keten onderzoekt hij samen met de Hogeschool van Amsterdam en Gideonstribe in de praktijk hoe je professionals in de bouwwereld mee kunt nemen in deze cultuurverandering.
Drie kernelementen
“Cultuur is één van de belangrijkste factoren als je iets wilt veranderen,” weet Van den Berg, “en juist dat nadenken over verandervraagstukken, waarom dingen gaan zoals ze gaan, vind ik als wetenschapper razend interessant.” Voor het project ontwikkelde Van den Berg samen met bovengenoemde partners verschillende onderzoekslijnen. “Wij vinden elkaar in actieonderzoek. We hebben allemaal een verandering voor ogen. Met actieonderzoek kun je de veranderingen in de praktijk brengen maar ook wetenschappelijk verantwoord toetsen. Het is relevant met én voor de praktijk.” Bij het onderzoek staan enkele kernelementen centraal: toekomstdenken, een ‘ondernemende houding’ (‘intrapreneurial stewardship’) en persoonlijk leiderschap. Reflectie over het eigen handelen speelt daarbij in alle gevallen een belangrijke rol.
Rolmodellen
Eén van de onderzoekslijnen waar Van den Berg zich op richt betreft de ‘verandertypen’. “We hebben een matrix ontwikkeld aan de hand van een theoretisch model, over hoe mensen in transities staan. Dit gaat, een beetje zwart-wit, volgens twee dimensies,” legt hij uit. “Sommige mensen zijn meer denkers en andere meer doeners. En dan heb je bij beide ook nog variatie in voorkeur voor een top-down benadering (‘we gaan dit uitrollen’) of een bottom-up benadering (‘we zien wel waar het schip strandt’). Aan de hand daarvan kan je vier verandertypen onderscheiden, rollen die mensen aannemen bij veranderingen. Wij hebben die de ‘arend’, de ‘mol’, de ‘bever’ en de ‘mier’ genoemd. Mensen hebben hun eigen voorkeursvariant, maar het één is niet beter dan het ander.”
“Inzicht helpt bij erkenning rol van anderen”
De matrix wordt gebruikt in interventieworkshops voor bouwprofessionals. Daarvan zijn er inmiddels vijf geweest, waar tientallen mensen mee aan meededen. De doelgroep van de workshops is heel breed, alle partijen uit de keten zijn vertegenwoordigd. Daarnaast integreert Van den Berg de interventie ook in het hoger onderwijs, net als de Hogeschool van Amsterdam.
De patronen die uit de workshops komen, geven inzicht in de verschillende manieren waarop mensen met complexe veranderingen omgaan. “En dat helpt niet alleen bij het reflecteren op de eigen rol, maar ook bij de erkenning van andere rollen,” aldus Van den Berg. Maar het gaat nog verder. “Later werd dat gekoppeld aan ons ‘Circular Project Model’ waarin circulaire ontwerpmaatregelen worden gevisualiseerd. Wat voor maatregelen nemen ‘bevers’ bijvoorbeeld om naar meer circulariteit te komen? Die komen dan met heel andere maatregelen dan de ‘mieren’. Je hebt elkaar nodig. De één kan niet zonder de ander.”
Koplopers
In een andere onderzoekslijn houdt Van den Berg zich bezig met ‘koplopers’, mensen die vooroplopen bij circulair bouwen. In de interviews met koplopers zoekt Van den Berg naar patronen in de ‘ondernemende houding’, volgens het zogenaamde COM-B-model dat een bepaald wenselijk gedrag (Behaviour) voorspelt wanneer iemand de mogelijkheden (Capability), kans (Opportunity) en motivatie (Motivation) daartoe heeft.
“Wij willen circulair voorbeeldgedrag beter begrijpen en ook ontleden. Want wat zit daar nu achter? Als iemand bijvoorbeeld actief op zoek is gegaan naar houten funderingspalen voor een woning, terwijl we weten dat daar normaliter vrijwel altijd betonnen palen voor worden gebruikt, wat heeft dan voor zo’n gedragsverandering gezorgd? Andere voorbeelden betreffen het opzetten van een verdienmodel rondom hergebruikte ramen in de gevelindustrie en het implementeren van een certificatieregeling voor circulair slopen. Deze analyses zijn nog gaande, maar het valt op dat bijna alle koplopers een diepe intrinsieke motivatie hebben. Zij zijn echt op zoek naar mogelijkheden.”
“Koplopers geloven in eigen kunnen”
“Iets wat ook opviel, zijn de kansen die ze zien. De kansen die er zijn, zijn heel bepalend.” Van den Berg legt uit hoe dat werkt: “Een aannemer zag een kans om circulair te werken omdat opdrachtgevers daarom begonnen te vragen. Die schreven bijvoorbeeld hergebruikt glas voor bij een aanbesteding.”
Tenslotte is het belangrijk dat mensen ook in eigen kunnen geloven. “Een architect kan bijvoorbeeld de CO2-uitstoot van verschillende ontwerpvarianten inzichtelijk maken, waardoor een opdrachtgever bewuster kan kiezen voor circulariteit. We willen dat soort veelbelovende initiatieven boven water krijgen.”
Samen iets laten groeien
Van den Berg is er enthousiast over, ondanks het feit dat hij inmiddels wel een aantal uitdagingen is tegengekomen. Een robuust en haalbaar onderzoeksplan dat aansluit bij de behoeftes uit de praktijk ligt er niet zomaar, heeft hij gemerkt. “De bouwsector is, in vergelijking met de infrasector, een sector met kleinere en meer diverse partijen. Het begrijpen van de obstakels waar die partijen tegenaan lopen kost tijd en energie. Maar die uitdagingen vind ik ook leúk. Ik merk dat we dan samen dingen kunnen laten groeien, dat we toch dingen van de grond krijgen. Dat is ontzettend gaaf.”
“Je bent veel meer dan een druppel op een gloeiende plaat”
Toch gaat er heel veel goed. “Het is mooi en hoopvol dat er in de sector heel veel de goede kant opgaat. Als je dan voorbeelden ziet van waar mensen mee bezig zijn, waar je enthousiast van wordt, dingen die lukken, dan geeft dat mij energie. En we zijn als team gegroeid, we hebben veel contacten gelegd, denkstappen gemaakt en nieuwe ideeën ontwikkeld.”
Ook de koppeling met het onderwijs is belangrijk, zegt Van den Berg: “Een student zei laatst na afloop van een college dat zij zich zo machteloos voelde, dat zij zich afvroeg of het allemaal wel nut had. Dan gaan we het gesprek aan. Want het heeft nut! Iedereen kan op een eigen manier veranderingen initiëren, uitwerken of doorvoeren. Bijvoorbeeld door circulariteit op de agenda te zetten of actief op zoek te gaan naar duurzame maatregelen. Zo denk ik erover. Ondanks het feit dat cultuur en transitie grote en abstracte onderwerpen zijn, kunnen individuen echt iets betekenen. Je bent als individu dus veel meer dan een druppel op een gloeiende plaat. Als mensen kunnen zien dat ze veel méér dan een steentje kunnen bijdragen, dan is dat fantastisch!”